Inderdaad, waar velen samen zijn, is het nodig dat iedereen de regels leert kennen en onthouden. En dat de begeleiders er op toezien dat de leerlingen deze regels op een correcte en éénduidige manier toepassen.

WE GAAN VOOR VRIENDSCHAP, RESPECT EN VERANTWOORDELIJKHEID

fietsenstalling

Fietsenstalling

  • Ik zet mijn fiets in het fietsrek.
  • Bij slecht weer plaats ik mijn fiets in de fietsenstalling.
  • Ik speel niet aan de fietsrekken en rond de garage.
trappen

Muren en trappen

  • Ik speel niet achter het muurtje van het speelplein.
  • Ik glijd niet van de trapleuning.
schooltas

Kledij en schooltassen

  • Ik hang mijn jas aan de haak in de gang.
  • Ik zet mijn schooltas netjes langs de muur.
  • Ik speel niet in de gang en ik blijf er niet hangen.
toilet

Toiletten

  • Ik ga voor het belsignaal naar het toilet.
  • Ik gebruik het toilet zoals het hoort.
  • Na het toiletbezoek was ik mijn handen.
  • In de toiletruimte speel ik niet en blijf ik niet hangen.
speelplein

Speelplein

  • Na toelating kan ik op het speelplein spelen.
  • Ik houd het veilig.
eetzaal

Eetzaal

  • Ik praat niet luidruchtig.
  • Ik eet beleefd.
  • Ik eet mijn bord uit.
schoolbel

Bel

  • Na de eerste bel stop ik onmiddellijk het spel en ga ik in de rij staan.
  • Bij de tweede bel sta ik in de rij en ben ik stil.
  • Ik ga in stilte naar de klas.
rij

Rij

  • Na de lessen sta ik in de rij.
  • Ik fiets niet in de rij.
afval

Afval

  • Afval werp ik in de juiste bak.
spelen

Spelen

  • Ik ben de vriend van iedereen.
  • Ik speel op een veilige en aangename wijze.
  • Ik speel het spel volgens de spelregels.
  • Ik sluit niemand uit.
  • Ik verwijt niemand.
  • Ik trek geen grimassen.
  • Ik maak geen lelijke gebaren.
ruzie

Ruzie

  • Bij ruzie probeer ik het onderling op te lossen.
  • Ik probeer met passende woorden de ruzie bij te leggen.
  • Ik los de ruzie nooit op met geweld.
  • Als ik niet onmiddellijk de ruzie kan oplossen, dan probeer ik wat later opnieuw de ruzie bij te leggen.
  • Blijft de ruzie bestaan, dan vertel ik het aan de begeleider.
gedrag

Gedrag

  • Ik ben beleefd in mijn spreken.
  • Ik luister naar de begeleider en ik doe onmiddellijk wat er van mij verwacht wordt.
  • Ik heb respect voor iedereen en voor alle materialen.
  • Ik voel me verantwoordelijk voor iedereen.